Eindtermen

Eindtermen

Eindtermen

Mens en maatschappij

Mens


ET 1.1* De leerlingen drukken in een niet-conflictgeladen situatie eigen indrukken, gevoelens, verlangens, gedachten en waarderingen spontaan uit.


ET 1.2 De leerlingen kunnen beschrijven wat ze voelen en wat ze doen in een concrete situatie en kunnen illustreren dat zowel hun gedrag als hun gevoelens situatiegebonden zijn.


ET 1.3* De leerlingen tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen, gebaseerd op kennis van het eigen kunnen.


ET 1.4 De leerlingen kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen, erover praten en aangeven dat ze op elkaar inspelen.


ET 1.5* De leerlingen tonen de bereidheid zich te oefenen in omgangswijzen waar ze minder sterk in zijn.


ET 1.7* De leerlingen hebben aandacht voor de onuitgesproken regels die de interacties binnen een groep typeren en zijn bereid er rekening mee te houden.


Maatschappij


ET 2.4 De leerlingen kunnen illustreren dat welvaart zowel over de verschillende landen in de wereld als in België ongelijk verdeeld is.


ET 2.7*De leerlingen kunnen er in hun omgang met leeftijdsgenoten op een discrete manier rekening mee houden dat niet alle kinderen in hetzelfde type gezin wonen als zijzelf.


ET 2.8 De leerlingen kunnen illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten.


ET 2.9 De leerlingen kunnen voorbeelden geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap.


ET 2.10 De leerlingen weten dat ze in het contact met mensen met een handicap oog moeten hebben voor de noden en verwachtingen van die mensen.


ET 2.11 De leerlingen kunnen illustreren dat arbeidsmigratie en het vluchtelingenprobleem een rol gespeeld hebben bij de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving.


ET 2.12 De leerlingen zien in dat racisme vaak gebaseerd is op onbekendheid met en vrees voor het vreemde.


Tijd


ET 3.3 De leerlingen kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken.


Ruimte


ET 4.8 De leerlingen kunnen suggesties geven om hun eigen omgeving in te richten.


ET 4.10 De leerlingen kunnen hun eigen streek en twee andere streken in België situeren op een kaart en de relatie beschrijven tussen de omgeving en aspecten van het dagelijks leven van de mensen.


ET 4.11 De leerlingen kunnen aspecten van het dagelijks leven in een land van een ander cultuurgebied vergelijken met hun eigen leven.


ET 4.13 De leerlingen kunnen een atlas raadplegen en kunnen enkele soorten kaarten hanteren, gebruikmakend van de legende, de windstreken en de schaal.


Brongebruik


ET 5.1 De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen.

Wetenschappen en techniek

Natuur


ET 1.1 De leerlingen kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische manier noteren.


ET 1.12 De leerlingen kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waarin ze leven.


ET 1.18 De leerlingen weten dat bepaalde ziekteverschijnselen en handicaps niet altijd kunnen worden vermeden.


ET 1.24 De leerlingen kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren hoe mensen op positieve, maar ook op negatieve manieren omgaan met het milieu.

Nederlands

Luisteren


ET 1.1 De leerlingen kunnen de informatie achterhalen in een voor hen bestemde mededeling met betrekking tot het school- en klasgebeuren.


ET 1.8 De leerlingen kunnen op basis van hetzij hun eigen mening, hetzij informatie uit andere bronnen, de informatie beoordelen die voorkomt in een discussie met bekende leeftijdsgenoten.


ET 1.9 De leerlingen kunnen op basis van hetzij hun eigen mening, hetzij informatie uit andere bronnen, de informatie beoordelen die voorkomt in een gesprek met bekende leeftijdsgenoten.


Spreken


ET 2.3 De leerlingen kunnen het gepaste taalregister hanteren als ze over een op school behandeld onderwerp aan de leerkracht verslag uitbrengen.


ET 2.6 De leerlingen kunnen het gepaste taalregister hanteren als ze van een behandeld onderwerp of een beleefd voorval een verbale/non-verbale interpretatie brengen, die begrepen wordt door leeftijdsgenoten.


Lezen


ET 3.1 De leerlingen kunnen de informatie achterhalen in voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard.


ET 3.4 De leerlingen kunnen de informatie ordenen die voorkomt in voor hen bestemde school- en studieteksten en instructies bij schoolopdrachten.


Schrijven


ET 4.5 De leerlingen kunnen een formulier invullen met informatie over henzelf.


ET 4.6 De leerlingen kunnen schriftelijk antwoorden op vragen over verwerkte inhouden.

Lichamelijke opvoeding

ET 1.6 De leerlingen tonen in het bewegen een intuïtief maar ook een bewust kennen van, aanvoelen van, omgaan met en rekening houden met de eigen lichaamskenmerken, mogelijkheden en –beperkingen.


ET 1.29 De leerlingen zoeken zelfstandig en op een creatieve manier naar een oplossing voor een bewegings- of spelprobleem.


ET 1.32 De leerlingen zijn bereid zichzelf vragen te stellen over hun aanpak voor, tijdens en na het oplossen van een bewegingsprobleem en willen op basis hiervan een aanpak (bij)sturen.

Muzische vorming

ET 1.2 De leerlingen kunnen door betasten en voelen (tactiel), door kijken en zien (visueel) impressies opdoen, ze verwerken en erover praten.


ET 1.4 De leerlingen kunnen plezier en voldoening vinden in beeldend vormgeven en genieten van wat beeldend vormgegeven is.


ET 2.2 De leerlingen kunnen improviseren en experimenteren, klankbronnen en muziekinstrumenten uittesten op hun klankwaarde en in een muzikaal (samen)spel daarvan gebruikmaken.


ET 6.4 De leerlingen kunnen vertrouwen op hun eigen expressiemogelijkheden en durven hun creatieve uitingen tonen.


ET 6.5 De leerlingen kunnen respect betonen voor uitingen van leeftijdsgenoten, behorend tot eigen en andere culturen.

Wiskunde

ET 1.28 De leerlingen kunnen in contexten vaststellen welke wiskundige bewerkingen met betrekking tot getallen toepasselijk zijn en welke het meest aangewezen en economisch zijn.


ET 1.29 De leerlingen zijn bereid verstandelijke zoekstrategieën te gebruiken die helpen bij het aanpakken van wiskundige problemen met betrekking tot getallen, meten, ruimtelijke oriëntatie en meetkunde.

ICT

ET 6 De leerlingen kunnen met behulp van ICT voor hen bestemde digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.

Leren leren

ET 2 De leerlingen kunnen op systematische wijze verschillende informatiebronnen op hun niveau zelfstandig gebruiken.


ET 3 De leerlingen kunnen op systematische wijze samenhangende informatie (ook andere dan teksten) verwerven en gebruiken.


ET 4 De leerlingen kunnen eenvoudige problemen op systematische en inzichtelijke wijze oplossen.

Sociale vaardigheden

ET 1.2 De leerlingen kunnen in omgang met anderen respect en waardering opbrengen.


ET 1.3 De leerlingen kunnen zorg opbrengen voor iets of iemand anders.


ET 1.4 De leerlingen kunnen hulp vragen en zich laten helpen.


ET 1.5 De leerlingen kunnen bij groepstaken leiding geven en onder leiding van een medeleerling meewerken.


ET 1.6 De leerlingen kunnen kritisch zijn en een eigen mening formuleren.


ET 2 De leerlingen kunnen in functionele situaties een aantal verbale en niet-verbale gespreksconventies naleven.


ET 3 De leerlingen kunnen samenwerken met anderen, zonder onderscheid van sociale achtergrond, geslacht of etnische origine.

<
>
x
content crackers twitter content crackers facebook content crackers google+ content crackers linkedin content crackers mail content crackers whatsapp

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

x